Bestuurster veroordeeld wegens veroorzaken dodelijk verkeersongeval
De politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft een autobestuurster veroordeeld wegens het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een fietser om het leven kwam. Volgens de rechtbank heeft de bestuurster niet alleen de voorrang van rechts niet verleend, maar was er ook sprake van een onverklaarbare en zeer verregaande onoplettendheid. Een tweede fietser speelde volgens de rechtbank geen vermijdbare negatieve rol in het ongeval.
Feiten
Op 26 juni 2023 vond een dodelijk verkeersongeval plaats ter hoogte van het kruispunt Krommeveldstraat – Hazelarenhoek in Kaprijke. Twee fietsers wensten vanuit de Krommeveldstraat links af te slaan richting Hazelarenhoek. Vanuit deze straat kwam op dat moment een voertuig dat werd bestuurd door een vrouw. Het kwam tot een aanrijding met één van beide fietsers, die helaas ter plaatse is overleden.
Vaststellingen verkeersdeskundige
Het openbaar ministerie stelde een verkeersdeskundige aan om de omstandigheden van het ongeval te onderzoeken. Deze kwam (onder meer) tot volgend besluit:
- Het betreft een landelijk gelegen kruispunt, met een maximum toegelaten snelheid van 70 km/uur en waar de voorrang van rechts geldt.
- Volgens een computersimulatie bedroeg de botsingssnelheid van het voertuig 50 à 55 km/uur en die van de fiets van het slachtoffer 17 à 23 km/uur.
- Er stonden hoge struiken op ongeveer 12 meter voor het kruispunt. Hierdoor konden de beide partijen elkaar slechts een tweetal seconden voor de aanrijding waarnemen.
- Mits een verhoogde aandacht had de beklaagde de fietser tijdig kunnen opmerken en een aanrijding kunnen vermijden.
Beide partijen stelden op hun beurt diverse verkeersdeskundigen aan, zodat de rechtbank oordeelde om een college van deskundigen te laten tussenkomen. Deze hebben een bijzonder uitgebreid onderzoek gevoerd, waarvan de besluiten grotendeels aansluiten op dat van de deskundige van het openbaar ministerie.
Zij concludeerden dat - welke de exacte naderingssnelheid ook was - de snelheid van de beklaagde finaal te hoog was om nog te kunnen stoppen vóór het kruispunt en de voorrang te respecteren voor voertuigen of fietsers van rechts uit de Krommeveldstraat het kruispunt opreden.
Tenlasteleggingen
De beklaagde moest zich op basis het onderzoek voor de politierechtbank verantwoorden voor:
- Onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van het slachtoffer wegens gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg.
- Als bestuurder van een voertuig op de openbare weg, niet in alle omstandigheden te hebben kunnen stoppen voor een hindernis die kon worden voorzien.
- Als bestuurder van een voertuig op de openbare weg, nagelaten te hebben voorrang te verlenen aan de bestuurder die van rechts komt.
De beklaagde stelt dat zij was afgeleid door het rijgedrag van de eerste fietser (met wie het niet tot een aanrijding kwam). Die fietser moest zich als rechtstreeks gedaagde daarom verantwoorden voor:
- Als bestuurder van een voertuig op de openbare weg die een kruispunt oprijdt, nagelaten te hebben dubbel voorzichtig te zijn, ten einde alle ongevallen te voorkomen.
- Als bestuurder van een voertuig op de openbare weg die de rijbaan volgt, nagelaten te hebben zo dicht mogelijk bij de rechterrand van die rijbaan te blijven.
- Als bestuurder van een voertuig op de openbare weg die naar links afslaat op een kruispunt, nagelaten te hebben de beweging zo ruim mogelijk uit te voeren zodat hij de ingeslagen rijbaan rechts opreed.
- Onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van het slachtoffer wegens gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank beoordeelde zowel de rol van de beklaagde als de rol van de eerste fietser bij dit ongeval. Daarbij werd onder andere rekening gehouden met volgende elementen.
Ten aanzien van de autobestuurster
-
Volgens de rechtbank vond het ongeval wel degelijk plaats op een kruispunt met voorrang van rechts. Een verwijzing van de beklaagde naar Cassatierechtspraak die dit zou betwisten, werd door de rechtbank verworpen.
Wie in het verkeer de plicht heeft om voorrang te verlenen, mag daarbij niet rekenen op de uitwijkings- en remmogelijkheden van diegene die voorrang heeft. Voorrang verlenen, betekent dat men de absolute vrije doorgang moet geven en de minste hinder moet worden vermeden voor wie voorrang heeft.
-
Zelfs als het rijgedrag van de aangereden fietser voor de autobestuurster onverwacht was, staat het nog boven elke redelijke betwisting dat zij zich bij het naderen van een kruispunt met voorrang van rechts ten allen tijde had moeten verwachten aan verkeer dat van rechts zou komen. Bovendien had zij - gelet op de beperktere zichtbaarheid door de aanwezige struiken - nog extra alert moeten zijn. Het opdagen van de fietsers kan dus geenszins als onvoorzienbaar worden bestempeld, net nu zij uit een straat kwamen waar de voorrang van rechts voor hen gold.
-
De rechtbank volgt de beklaagde dat er geen zekerheid bestaat over haar aanvangssnelheid. Er is anderzijds geen discussie over de botsingssnelheid (50-60 km/uur), die overigens door de expert van de beklaagde niet wordt betwist.
De reactie van de bestuurster is eerder vreemd (“Ik ben vertraagd omdat ik wist dat op het kruispunt de voorrang van rechtsregel geldt. Ik schrok van de fietser omdat ik hem niet gezien had en heb uit reactie mijn stuur naar links getrokken”). Dit is allesbehalve het rijgedrag van een normaal voorzichtige bestuurder die een kruispunt met voorrang van rechts nadert en daartoe haar snelheid mindert en alert is.
Volgens de rechtbank is de enige oorzaak van het ongeval zodoende de zeer onverklaarbare en zeer verregaande onoplettendheid van de bestuurster.
Ten aanzien van de eerste fietser
De rechtbank benadrukt dat de eerste fietser voorrang had en zich dus niet op het eerste zicht moest verwachten aan een aankomend voertuig. Zowel de parketdeskundige als het college van deskundigen besluiten dat de fietser geen vermijdbare negatieve rol speelde in het ongeval. Integendeel lijkt het eerder zo te zijn dat zijn aanwezigheid voor de bestuurster een aanleiding had kunnen zijn om in de remmen te gaan.
Voor de rechtbank werd er ook geen fout aangetoond in hoofde van wijlen het slachtoffer.
Strafmaat en burgerlijke belangen
De beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel voor een termijn van drie jaar, en een geldboete van 4.000 euro. De beklaagde werd ook vervallen verklaard van het recht tot het besturen van alle motorvoertuigen voor een termijn van 1 jaar. Het herstel van het recht tot sturen is afhankelijk van het slagen in een theoretisch examen, een praktisch examen, een medisch onderzoek en een psychologisch onderzoek.
Aan de diverse burgerlijke partijen moet de beklaagde een totale schadevergoeding van 20.517,07 euro en een totale rechtsplegingvergoeding van 3.139,53 euro betalen.
Motivering rechtbank
Bij het bepalen van de strafmaat en de burgerlijke belangen hield de rechtbank onder andere rekening met volgende elementen:
-
Hoewel de beklaagde het ongeval en de dramatische gevolgen evident niet gewild heeft, draagt zij er wel de verpletterende verantwoordelijkheid voor. Het is haar eigen keuze geweest om het kruispunt te naderen met een onaangepaste snelheid en zonder op andere weggebruikers te letten.
Het strafrechtelijke verleden van de beklaagde.
-
Om de beklaagde ertoe te brengen haar rijgedrag te verbeteren, oordeelt de rechtbank dat het in deze zaak aangewezen is om, naast de hoofdstraf, een verval van het recht een motorvoertuig te besturen, uit te spreken. Een rijverbod heeft een zware impact en is daarom een efficiënte straf.
-
Niettegenstaande de tweede fietser geen familiale band had met het slachtoffer, was er wel sprake van een hechte vriendschap. In die specifieke omstandigheden is deze naar het oordeel van de rechtbank wel vergelijkbaar met een familiale band.