Rechtbank verklaart vorderingen van vrouwelijke leerkracht rond dragen van een hoofddoek ongegrond
De burgerlijke rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft in kortgeding diverse vorderingen van een vrouwelijke leerkracht tegen de provincie Oost-Vlaanderen ongegrond verklaard. De leerkracht wou als gelovig moslim haar hoofddoek dragen op een provinciale school. De rechtbank verwijst onder andere naar het feit dat de leerkracht heeft gekozen voor een loopbaan in het officieel gesubsidieerd onderwijs. Zij moet zicht bijgevolg aanpassen aan de regels die gelden voor alle personeelsleden in haar situatie.
Chronologie van de feiten
De zaak draait om een vrouwelijke leerkracht algemene en sociale vorming (ASV). Zij is sinds september 2022 verbonden aan een provinciale basisschool voor buitengewoon onderwijs van de provincie Oost-Vlaanderen in Assenede. Als gelovige moslim droeg de vrouw op school haar hoofddoek. Op 27 september 2023 werd de vrouw aangesproken door de gedeputeerde van de provincie Oost-Vlaanderen, die er haar op wees dat het dragen van levensbeschouwelijke symbolen – waaronder een hoofddoek - voor personeelsleden van de provincie verboden was.
Omdat de leerkracht bleef weigeren om op de school haar hoofddoek af te zetten, besliste de deputatie om een tuchtprocedure tegen haar op te starten. De provincie Oost-Vlaanderen verwees daarbij naar de Deontologische Code voor de personeelsleden van de provincie. Toen er twijfel rees omtrent de toepassing van deze Code, besliste de deputatie om de tuchtprocedure stop te zetten.
Ondertussen had de deputatie het aanvullend personeelsreglement voor de gesubsidieerde personeelsleden van het provinciaal onderwijs aangepast. Zo werd een nieuw artikel 17 ingevoegd, dat verbood om levensbeschouwelijke symbolen – zoals een hoofddoek – te dragen (met uitzondering voor personeelsleden die levensbeschouwelijke vakken geven).[1]
Dit reglement trad op 1 september 2024 in werking.
Toen de leerkracht na een lange periode van zwangerschaps- en ouderschapsverlof in februari 2026 terug aan het werk ging, bleef zij ook toen weigeren om haar hoofddoek af te doen. Hierop besliste de deputatie om opnieuw een tuchtprocedure op te starten wegens het niet naleven van de neutraliteitsverplichting.
De leerkracht startte eind februari 2026 een procedure op tegen de provincie voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, en dit op basis van het Vlaamse Gelijkekansendecreet. Zij meent het slachtoffer te zijn van discriminatie en intimidatie, onder meer op basis van haar geloof.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank heeft in kortgeding geoordeeld over de vorderingen van de vrouwelijke leerkracht.
Directe discriminatie op basis van geloof
Deze vordering heeft betrekking op de periode van 27 september 2023 tot 1 september 2024, waarin de provincie Oost-Vlaanderen haar verbod op levensbeschouwelijke symbolen steunde op haar Deontologische Code van 2007.
De vrouwelijke leerkracht meende dat zij minder gunstig werd behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie, op grond van haar geloof. Daarbij verwees ze naar het feit dat zij herhaaldelijk werd aangesproken door de gedeputeerde (van onderwijs) van de provincie op het dragen van de hoofddoek, en naar het feit dat er tegen haar een tuchtprocedure werd opgestart toen zij niet bereid was om zonder hoofddoek te werken.
De rechtbank hield bij haar oordeel onder andere rekening met de volgende elementen:
- Op basis van de Deontologische Code uit 2007 mocht en kon de provincie Oost-Vlaanderen van haar personeelsleden eisen dat ze in de uitoefening van hun functie geen blijk gaven van hun religieuze overtuigingen, onder meer door het dragen van religieuze kentekens of symbolen zoals de hoofddoek.
- Deze verplichting gold niet alleen voor de vrouwelijke leerkracht, maar voor alle personeelsleden van de provincie. De vrouw werd zodoende niet ongunstiger behandeld dan de andere personeelsleden van de provincie en de andere leerkrachten van haar school. Er zijn ook geen andere personeelsleden die wel privileges zouden hebben gekregen in het dragen van levensbeschouwelijke symbolen.
- Het speelt daarbij geen rol dat de leerkracht in september 2022 in haar functie was aangeworven met een hoofddoek (hetgeen zij overigens op geen enkele wijze bewijst) en dat zij in eerste instantie met haar hoofddoek in de school heeft gewerkt, zonder enige opmerking vanwege de directie (hetgeen wel bewezen is).
- Het opstarten van een tuchtprocedure tegen de leerkracht kon niet geanalyseerd worden als een ongunstigere behandeling en als directe discriminatie. Een dergelijke procedure zou bovendien eveneens opgestart en gevoerd zijn tegen andere personeelsleden die zich niet aan het neutraliteitsbeginsel hielden.
- Het verbod op levensbeschouwelijke symbolen vloeit voort uit de grondwettelijke verplichting voor de provincie om in de uitvoering van haar overheidstaken, met inbegrip van het onderwijs, een volledige neutraliteit te bewaren en te bewaken. Een provinciebestuur moet als openbaar bestuur bewaken dat zijn personeelsleden zich neutraal opstellen. Het heeft daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid voor wat betreft de keuze van de maatregelen die daartoe kunnen bijdragen.
- Men mag van een leerkracht in het officieel gesubsidieerd onderwijs verwachten dat die zich volkomen neutraal opstelt, in lijn met de neutraliteit die ook het bestuur in acht dient te nemen. Door het dragen van religieuze symbolen geeft een leerkracht op zijn minst de indruk de ene of de andere geloofsovertuiging voor te staan.
Indirecte discriminatie op basis van geloof
Deze vordering geldt voor de periode vanaf 1 september 2024 tot heden. Sinds 1 september 2024 is het aanvullend personeelsreglement voor de provincie Oost-Vlaanderen van kracht. De leerkracht is van mening dat zij sindsdien het slachtoffer is van indirecte discriminatie.
De rechtbank hield bij haar oordeel onder andere rekening met deze elementen:
- Het aanpassen van het aanvullend personeelsreglement was voor de provincie Oost-Vlaanderen een legitiem doel. Zij streeft de creatie van een neutrale leeromgeving na, in uitvoering van de neutraliteitsverplichting die op het provinciaal bestuur rust.
- Het staat vast dat de provincie Oost-Vlaanderen de regel toepast op alle leden van het gesubsidieerd onderwijspersoneel in de provinciale onderwijsinstellingen, ongeacht hun religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging. Geen enkel symbool van religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging wordt door het reglement toegelaten.
- Als gevolg van de neutraliteit van het onderwijs, zoals vastgelegd in artikel 24 van de Grondwet, kan een gemeenschap verkiezen dat haar leerkrachten als ambtenaren geen enkel zichtbaar opvallend religieus, politiek of levensbeschouwelijk teken dragen om zo iedere verdenking van druk of invloed op de leerlingen waarover ze hun gezag uitoefenen te voorkomen. In dat opzicht beantwoordt de inmenging in de vrijheid van godsdienst van de leerkrachten aan de noodzaak om de leerlingen een zo objectief mogelijk onderwijs te verstrekken.
Intimidatie
Volgens de leerkracht was er onder andere sprake van intimidatie omdat al haar voorgestelde alternatieve oplossingen van tafel werden geveegd, er spanning en druk werd gecreëerd tijdens gesprekken over de toepassing van de neutraliteitsregels, haar naam en foto van de schoolwebsite werden verwijderd zonder haar hierover in te lichten, een officiële tuchtprocedure tegen haar werd opgestart, en ze een schriftelijke waarschuwing kreeg op de eerste dag waarop zij haar lesopdracht hervatte.
Volgens de rechtbank was er echter op geen enkele wijze sprake van intimidatie:
- De leerkracht kon haar hoofddoek blijven dragen in het schooljaar 2023-2024, ook gedurende de periode dat de discussie tussen de partijen is ontstaan.
- Er werden op volkomen correcte wijze twee tuchtprocedures tegen de leerkracht opgestart omdat ze weigerde om zich te schikken naar het reglement dat voor alle personeelsleden geldt.
Represaille
De leerkracht stoorde zich aan het feit dat er een tweede tuchtprocedure tegen haar werd opgestart.
De rechtbank oordeelt dat deze tuchtprocedure het gevolg is van het feit dat de leerkracht zich uitdrukkelijk weigert te schikken naar het aanvullend personeelsreglement dat op 1 september 2024 in werking trad. Toen zij in februari 2026 het werk hervatte, werd de leerkracht er meermaals op gewezen en gevraagd om haar hoofddoek af te leggen. Dit heeft zij telkens geweigerd. Dat een dergelijke houding tot een tuchtprocedure leidt, hoeft niet te verwonderen en heeft niets te maken met represaillemaatregelen omwille van het voeren van een procedure tegen de provincie.
[1] “§ 1, De personeelsleden stellen zich neutraal op en laten zich bij de uitoefening van hun functie niet beïnvloeden door persoonlijke voorkeuren, filosofische, politieke of religieuze overtuigingen, door seksuele geaardheid, geslacht, ras of herkomst. § 2, De personeelsleden tonen dat ze neutraal zijn door geen religieuze of levensbeschouwelijke symbolen te dragen. Enkel personeelsleden die levensbeschouwelijke vakken geven mogen religieuze of levensbeschouwelijke symbolen dragen, ook bij andere activiteiten (uitgezonderd niet-levensbeschouwelijke lesopdrachten) die los staan van het levensbeschouwelijk vak.”
U kan het geanonimiseerde vonnis nalezen in onderstaand document.