Echtgenoot en schoonmoeder vrijgesproken nadat vrouw overlijdt na val van trap

21/09/2026

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft een man vrijgesproken voor onder andere opzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg. De moeder van de man is vrijgesproken voor het weigeren van hulp. De toenmalige vrouw en schoondochter van beide beklaagden was in 2018 overleden na een val van de trap. Volgens de rechtbank ontbrak de vereiste gerechtelijke zekerheid waarmee de strafrechtelijke schuld van de eerste en de tweede beklaagde aan het vermeende misdrijf kon worden aangetoond.

Feiten 2018

Op 28 februari 2018 meldde het UZ Gent een verdacht overlijden van een vrouw aan de politie. Volgens de echtgenoot van het slachtoffer was zijn vrouw op 25 februari 2018 in hun woning van de trap gevallen. De vrouw overleed enkele dagen later in het UZ Gent aan de gevolgen van de opgelopen verwondingen.

Volgens verklaringen van de echtgenoot en zijn ouders (welke die nacht aanwezig waren in de woning) had de vrouw vermoedelijk een epileptische aanval gekregen, getriggerd door (overmatig) alcoholgebruik, en op die manier een dodelijke val van de trap gemaakt. 

Feiten 2015 

In 2015 kwam de vrouw, die eerder reeds een ongelukkige val van de trap had gemaakt en nadien met aanslepende hoofdpijn kampte, ten val op haar oprit. Hierop werd zij in levensgevaar naar het ziekenhuis gebracht, waar ze een tijd in coma lag. Sindsdien leed de vrouw aan blijvende neurologische schade, kreeg ze twee keer een epileptische aanval, kampte ze met zicht- en taalproblemen en was ze blijvend arbeidsongeschikt. 

De echtgenoot werd toen ondervraagd door de politie. Hij kreeg de gunst van de opschorting in de raadkamer voor een eerder incident dat bij het onderzoek aan het licht was gekomen. Toen had hij zijn vrouw, na een discussie, een trap op haar been gegeven, met verwondingen aan het been tot gevolg.  Zijn mogelijke betrokkenheid bij de val op de oprit werd ook onderzocht, maar daarvoor werd hij door de raadkamer buiten vervolging gesteld.

Gerechtelijk onderzoek 2018

Na het overlijden van de vrouw werd opnieuw een gerechtelijk onderzoek opgestart. Het bestond uit een combinatie van verslagen van de wetsdokter, technisch sporenonderzoek, veelvuldige verhoren en afluistermethoden.

Op basis hiervan moest de echtgenoot (eerste beklaagde) zich voor de rechtbank verantwoorden voor:

  • opzettelijke slagen of verwondingen met de dood tot gevolg, met de verzwarende omstandigheid dat hij het misdrijf pleegde tegen zijn echtgenote (voor de feiten in 2018)
  • opzettelijke slagen of verwondingen met ziekte of werkonbekwaamheid tot gevolg, met de verzwarende omstandigheid dat hij het misdrijf pleegde tegen zijn echtgenote (voor de feiten in 2015)

De moeder van de echtgenoot (tweede beklaagde) moest zich verantwoorden voor het weigeren van hulp, met de verzwarende omstandigheid dat zij wist dat haar schoondochter in groot gevaar verkeerde (voor de feiten in 2018).

Beoordeling rechtbank opzettelijke slagen met ziekte of werkonbekwaamheid tot gevolg (feiten in 2015)

Op 21 december 2015 kwam de vrouw ten val op haar oprit als gevolg van een hersenbloeding. Daarbij liep ze blijvende neurologische schade op (met onder andere epileptische aanvallen als gevolg). 

Voor de rechtbank ontbreekt echter het bewijs dat de eerste beklaagde fysieke agressie uitoefende op zijn vrouw, welke zou geleid hebben tot de hersenbloeding, en daarmee gepaard gaande de val op de oprit en de sindsdien opgelopen neurologische schade:

  • Er ontbreken objectieve elementen die deze vermeende agressieve tussenkomst kunnen aantonen. 
  • Volgens de gerechtsdeskundige artsen is het niet mogelijk om op een wetenschappelijk en medico-legaal aanvaarde wijze met enige zekerheid een tussenkomst van derden in te roepen inzake de neurologische schade waaraan de vrouw leed na haar val op 21 december 2015. 

De eerste beklaagde wordt om die reden vrijgesproken voor de feiten van deze tenlastelegging.

Beoordeling rechtbank opzettelijke slagen met de dood tot gevolg (feiten in 2018)

Het bewijs ontbreekt dat de eerste beklaagde in de nacht van 24 op 25 februari 2018 één of meerdere daden van fysieke agressie zou hebben gesteld tegen zijn vrouw, dewelke heeft/hebben geleid tot een bloedende hoofdwonde en vervolgens het overlijden van zijn echtgenote. 

Uit geen enkel onderzoeksresultaat kon immers met de vereiste gerechtelijke zekerheid een doorslaggevend bewijs in die zin worden afgeleid:

  • De bloedspoorpatroonanalyse leverde geen afdoende betrouwbare forensische grondslag op om de grootte, vorm of ontstaanswijze van de oorspronkelijke bloedsporen te reconstrueren, noch om daaruit de contouren van een bloedpoel of de positie van het slachtoffer te achterhalen. Uit de gevoerde DNA-onderzoeken kon evenmin enig sluitend belastend bewijs worden afgeleid.

  • De wedersamenstelling en de daarbij gebruikte simulatie met een pop ontbeerde de vereiste wetenschappelijke betrouwbaarheid om de versie van de beide beklaagden zonder enige redelijke twijfel uit te sluiten.

  • De overige feitelijke elementen van het dossier, net als de bevindingen van gerechtspsychiater en -psycholoog, leveren hooguit een these op die voor de beklaagden mogelijk belastend is. Gelet op het speculatief en hypothetisch karakter van deze these ontbreekt de vereiste gerechtelijke zekerheid waarmee de strafrechtelijke schuld van de eerste en de tweede beklaagde kan worden aangetoond.

  • Een scenario waarin de vrouw ten val kwam zonder dat de eerste beklaagde daar enige hand in had, blijkt minstens even aannemelijk, zo niet aannemelijker, dan een scenario waarin dit wel het geval was. 

    Daarbij stelt de rechtbank vast dat de gezondheid van de vrouw in februari 2018 was aangetast door een duidelijke neurologische voorgeschiedenis. Reeds eerder stelde een neuroloog dat haar posttraumatische epileptische aanvallen vermoedelijk verband hielden met haar eerdere val van de trap, nog voor haar val op de oprit in 2015.

    De rechtbank verwijst ook naar de verklaring van de ter plaatse gekomen spoedarts van UZ Gent waarin zij bijkomend een aantal medische argumenten aanhaalde ter staving van de hypothese van een epileptische aanval als oorzaak van de val van de trap. Deze hypothese werd ook door de wetsdokter niet uitgesloten.

    Op basis van al deze gegevens vormt een epileptische aanval als verklaring voor een val van de trap een concrete en zeer plausibele mogelijkheid.

    Bovendien blijkt uit de gegevens van de strafinformatie dat de vrouw ook inzake een mogelijke hersenbloeding familiaal belast en vasculair kwetsbaar was. Ook de aanwezigheid van een visus- en slaapwandelproblematiek kunnen eveneens een rol hebben gespeeld bij de val van de trap.

  • De echtgenoot had verwondingen aan de rechtervoet (blauwig, beginnend paarse verkleuring aan de bovenzijde van de grote teen, de quasi volledige tweede teen en de mediale zijde van de derde teen). Volgens zijn verklaring liep hij deze op toen hij uit bed sprong en zijn teen stootte. Volgens de wetsdokter is deze verklaring even plausibel als de veronderstelling dat deze verwonding zou ontstaan zijn door ergens tegenaan te schoppen (in casu zijn echtgenote). 

  • De beklaagden maakten gedurende relatief lange tijd het voorwerp uit van verregaande afluistermaatregelen. Daarbij kwamen geen voor hen belastende elementen aan het licht. Er doken evenmin vertrouwelijke conversaties op waarbij de beklaagden een andere versie gaven die wezenlijk verschillend was van hun verklaringen tijdens de formele verhoren.

Voorts stelt de rechtbank samen met de verdediging vast dat de psychologische en psychiatrische deskundige bevindingen zijn ingekleurd door een interpretatie van de dossiergegevens in het nadeel van de eerste beklaagde. De lezing van deze verslaggeving leert dat de schuldhypothese reeds voor de eigenlijke deskundige beoordeling is binnengeslopen. Hierdoor schemert er verregaande vooringenomenheid door in de desbetreffende deskundige verslaggeving.

De eerste beklaagde wordt om die reden vrijgesproken voor de feiten van deze tenlastelegging.

Beoordeling rechtbank weigeren van hulp (voor de feiten in 2018)

Dit gebrek aan bewijs geldt ook voor het vermeende talmen van de tweede beklaagde om de hulpdiensten te verwittigen. De tweede beklaagde wordt om die reden vrijgesproken.