Twee beklaagden veroordeeld wegens brandstichting
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk heeft twee beklaagden schuldig bevonden aan brandstichting door middel van een brandbom. De feiten speelden zich af in Izegem op 29 december 2024 en 1 januari 2025. Volgens de rechtbank was er wel geen sprake van bendevorming.
Feiten
Op 29 december 2024 werd de politie opgeroepen wegens explosies en een brand op een speelplein in Izegem. Er zouden een vijftal personen weggevlucht zijn. De brand werd geblust, maar er hing een benzinegeur. Er lag een vervormde bidon op het speelterrein, omringd door kleinere stukjes plastic.
Op 1 januari 2025 vond er een explosie en een brand plaats aan een brug in Emelgem (Izegem). Toen de hulpdiensten ter plaatse kwamen, was de brand al gedoofd. Onder de brug lagen de gesmolten resten van een blauwe bidon. Er was schade aan de begroeiing en er hing een benzinegeur. Op sociale media verscheen een filmpje waar de ontsteking en de explosie zichtbaar waren. Op 2 januari 2025 vond de politie aan de kerk van Emelgem een tweede gesmolten blauwe bidon.
Onderzoek
Bij het onderzoek naar de beide branden maakt de politie gebruik van camerabeelden aan de tankstations in Izegem. Een tiental jongeren wordt verhoord, er vinden huiszoekingen plaats en gsm-toestellen worden uitgelezen. Uiteindelijk worden drie verdachten weerhouden.
Tenlasteleggingen
De drie beklaagden moesten zich voor de rechtbank van Kortrijk verantwoorden voor:
- brandstichting met kwaad of bedrieglijk opzet van eigen roerende goederen (met de verzwarende omstandigheid dat de brand bij nacht werd gesticht)
- deel uitmaken van een vereniging opgericht om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen (met name het in brand steken van met brandstof gevulde bidons door het aansteken van vuurwerk)
Waarbij de eerste beklaagde voor de feiten op 1 januari 2025, en de tweede en derde beklaagde voor de feiten op 29 december 2024.
Beoordeling schuldvraag ‘brandstichting met kwaad of bedrieglijk opzet van eigen roerende goederen’
De rechtbank beoordeelde de eerste tenlastelegging als volgt:
Eerste beklaagde
De rechtbank acht de feiten van 1 januari 2025 bewezen. De eerste beklaagde betwist niet dat hij voor de feiten twee bidons met benzine ging vullen. Het is voldoende bewezen dat hij wist waarvoor die zouden gebruikt worden. Dat blijkt zowel uit berichten op zijn gsm als de geloofwaardige verklaringen van andere aanwezigen. De eigen verklaringen van de eerste beklaagde beoordeelde de rechtbank als ongeloofwaardig.
Tweede beklaagde
De tweede beklaagde betwist niet dat hij aanwezig was op het ogenblik dat de brandbom op 29 december 2024 ontstoken werd. Maar zijn loutere aanwezigheid is evenwel niet voldoende om hem schuldig te verklaren aan deze feiten. Hij moet daar op een wettelijk voorziene manier aan hebben bijgedragen, en dat blijkt niet met voldoende zekerheid. Het blijkt ook nergens uit dat de tweede beklaagde de andere aanwezigen heeft aangespoord om de feiten te plegen (bijvoorbeeld door te filmen).
Derde beklaagde
Beoordeling schuldvraag ‘deel uitmaken van een vereniging opgericht om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen’
De rechtbank achtte deze tenlastelegging niet bewezen voor alle drie de beklaagden. Het loutere feit dat de eerste en derde beklaagde samen met één of twee andere personen feiten pleegden, volstaat niet voor te spreken van bendevorming. Het blijkt niet dat er geen sprake was van een toevallige samenkomst. Hoewel er in dezelfde periode in dezelfde buurt verschillende gelijkaardige feiten plaatsvonden, is het niet aangetoond dat die telkens door dezelfde personen of dezelfde vereniging werden gepleegd.
Strafmaat
De rechtbank veroordeelde de eerste beklaagde tot een werkstraf van 150 uur en een geldboete van 1.600 euro (bij het niet uitvoeren van de werkstraf wordt een vervangende gevangenisstraf van 15 maanden opgelegd).
Aan de derde beklaagde heeft de rechtbank de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van drie jaar verleend.
Motivering rechtbank
Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechtbank onder meer rekening met:
- De aard en de ernst van de feiten die ernstige schade kunnen toebrengen, levensgevaarlijk zijn en bijdragen aan het onveiligheidsgevoel.
-
De leeftijd en de persoonlijke situatie van de beklaagden.
-
Het strafverleden van de beklaagden. Zo werd de eerste beklaagde ondanks zijn jonge leeftijd in het verleden reeds eenmaal correctioneel veroordeeld. De derde beklaagde heeft een blanco strafverleden.