Het hof van beroep Gent heeft een voormalige politiecommissaris veroordeeld wegens het verduisteren van openbare gelden. Als postoverste had de beklaagde cash betaalde boetegelden aangewend voor persoonlijke doeleinden. Het hof bevestigt hiermee de eerdere veroordeling van de beklaagde door de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde.
Feiten en tenlasteleggingen
De beklaagde was actief als politiecommissaris en postoverste bij de Verkeerspolitie (Verkeerspost Wetteren). Vanuit die functie heeft hij cash betaalde boetegelden niet overgemaakt aan de bank en de post om ze te laten doorstorten naar de bestemde overheidsrekeningen, maar heeft hij deze bijgehouden en gebruikt voor eigen doeleinden. Het zou hierbij gaan om 14.600 euro.
Tijdens de eerste verhoren benadrukte de beklaagde steeds uitdrukkelijk dat hij geen enkel bedrag had ontvreemd. Pas na confrontatie met de bewijslast bekende hij dat hij gelden had gebruikt voor persoonlijke doeleinden (onder andere het aankopen van whisky).
De beklaagde moest zich zo verantwoorden voor de verduistering van openbare of private gelden.
Oordeel correctionele rechtbank van eerste aanleg
De correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, veroordeelde op 24 februari 2025 de beklaagde tot een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel voor een periode van drie jaar, en een geldboete van 4.000 euro waarvan 2.000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar. Een bedrag van 1.600 euro werd verbeurd verklaard.
Zowel het openbaar ministerie als de beklaagde gingen tegen dit vonnis in beroep. Zo ging het openbaar ministerie niet akkoord met de beslissing van de eerste rechter rond de schending van de redelijke termijn, gelet op de zwaarwichtigheid van de feiten en het grondig gevoerde onderzoek. De beklaagde meende dat het onderzoek à charge was gevoerd en daardoor zijn rechten van verdediging waren geschonden[1].
Oordeel hof van beroep
Het hof beoordeelde de diverse elementen waartegen het hoger beroep was ingesteld.
Onderzoek à charge
Net als de eerste rechter oordeelde het hof dat er geen sprake was van een schending van de rechten van verdediging als gevolg van een beweerd à charge gevoerd onderzoek. Het onderzoek werd grondig en volledig gevoerd, waarbij zowel de onderzoekselementen à charge als à décharge aan bod zijn gekomen. Zo werd de nodige aandacht besteed aan het relaas en het verweer van de beklaagde.
Overschrijding redelijke termijn
De beklaagde stelt dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden door de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof erkent dat de redelijke termijn is overschreden, maar volgt niet dat hiermee de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden. Zo kan de beklaagde het niet aannemelijk maken dat door de overschrijding van de redelijke termijn relevante informatie verloren is gegaan die niet langer onderzocht kon worden.
Het hof zal wel rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafbepaling. Er is echter geen sprake van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, waardoor enkel nog het verval van de strafvordering kan worden uitgesproken.
Schuldvraag
Net als de eerste rechter is het hof van oordeel dat de beklaagde zich wel degelijk schuldig maakte aan het verduisteren van openbare gelden. Het staat vast dat gelden voortkomend uit onmiddellijke en administratieve inningen aan hem werden overhandigd, dat deze gelden waren bestemd voor de bevoegde overheid en dat hij deze voor persoonlijke doeleinden heeft gebruikt, waardoor er sprake was van verduistering.
Het feit dat hij een groot deel van deze gelden teruggegeven heeft, doet hieraan geen afbreuk. Bovendien gaf de beklaagde biljetten terug die onmogelijk in het bezit van de oorspronkelijke betalers van de verkeersboetes konden zijn geweest. Het ging namelijk om biljetten die pas later door de Nationale Bank in omloop waren gebracht, nadat de beklaagde van de Verkeerspost Wetteren was gemuteerd naar de Verkeerspost Jabbeke. Dit bewijst dat de beklaagde de originele biljetten later heeft vervangen door andere biljetten, en hij dus onrechtmatig in het bezit was van de boetegelden. De beklaagde gaf naar aanleiding van zijn verhoren trouwens ook toe dat hij de gelden gebruikte om dure flessen whisky aan te kopen.
Het hof merkt overigens op dat het niet om een kortstondig gebruik ging, nu blijkt dat de gelden pas maanden later werden teruggegeven, op een ogenblik dat de verduisteringen dreigden uit te komen.
Het bedrieglijk opzet bij het plegen van de verduistering staat eveneens vast in hoofde van de beklaagde.
Strafmaat
Het hof bevestigde het eerste vonnis en bijgevolg de opgelegde strafmaat (een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel voor een periode van drie jaar, en een geldboete van 4.000 euro waarvan 2.000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar). Ook de verbeurdverklaring van een bedrag van 1.600 euro werd bevestigd.
Motivering hof
Bij het bepalen van de strafmaat en de afmeting van de burgerlijke belangen hield het hof onder andere rekening met volgende elementen:
-
De bijzondere ernst van de feiten en de kennelijk bedrieglijke ingesteldheid van de beklaagde. Ambtenaren in het algemeen en politieambtenaren in het bijzonder genieten een bijzonder vertrouwen. Wanneer ze misbruik maken van hun ambt wordt het vertrouwen van de burgers in de staat aangetast en loopt de structuur van de maatschappij gevaar.
-
De beklaagde beschaamde daarbij niet alleen het vertrouwen van de maatschappij, maar ook dat van zijn korps. Hij had enkel nog oog voor persoonlijk geldgewin.
De overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat er sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn.
-
Het blanco strafverleden van de beklaagde en zijn tot voorheen smetteloze staat van dienst bij de politiediensten.
De gepleegde feiten hebben een reputatieschade teweeggebracht voor de Vlaamse overheid. Ze ondermijnen het vertrouwen dat burgers moeten hebben in overheidsinstellingen die controles uitvoeren en sancties kunnen opleggen.
[1] Een onderzoek à charge voeren, betekent dat men op zoek gaat naar bewijzen of elementen die de schuld van een verdachte bevestigen. Bij een proces is het essentieel dat een onderzoek onpartijdig wordt gevoerd. Dat wil zeggen dat men ook een onderzoek à décharge moet voeren, waarbij men zoekt naar elementen die de onschuld van een verdachte aantonen of zijn/haar verantwoordelijkheid verminderen.