Op 27 oktober 2026 werd een beklaagde door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen schuldig bevonden aan feiten van verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit, telkens gepleegd in de uitoefening van zijn functie als tandarts, valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken, oplichting, het onwettig uitoefenen van de geneeskunde en het zich onwettig uitgeven als dokter. De rechtbank veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van zeven jaar.
De rechtbank hield rekening met de vaststellingen van de politie, de resultaten van de huiszoeking, de uitlezing van de aangetroffen gegevensdragers, de analyse van het aangetroffen beeldmateriaal, de gelijkluidende verklaringen van de talrijke slachtoffers, de vaststellingen van de gerechtsdeskundigen en de gedeeltelijke bekentenissen van beklaagde.
De rechtbank preciseerde dat het misdrijf van verkrachting elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook omvat, gepleegd zonder dat het slachtoffer toestemming gaf. Ook een penetratie van de keel zonder enige tandheelkundige finaliteit en met een seksueel opzet valt onder die omschrijving.
Beklaagde werd voor drie feiten van verkrachting en voor het bezit van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen vrijgesproken.
Verder oordeelde de rechtbank dat beklaagde tevens schuldig was aan het valselijk opstellen van mutualiteitsattesten, met als doel onrechtmatige terugbetalingen van het RIVIZ te verkrijgen. De rechtbank sprak hem vrij voor een aantal feiten van valsheid in geschrifte en daarop geënte feiten van oplichting.
De rechtbank veroordeelde beklaagde tot een gevangenisstraf van zeven jaar en een ontzetting gedurende vijf jaar uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten. Daarnaast verklaarde de rechtbank een bedrag van 7.500 euro aan onrechtmatig ontvangen terugbetalingen door het RIZIV verbeurd.
De rechtbank tilde zwaar aan het schandelijke misbruik dat beklaagde maakte van zijn functie en autoriteit als tandarts/parodontoloog om over een periode van 25 jaar en volgens eenzelfde modus operandi tientallen slachtoffers seksueel te misbruiken. Door bijkomend fictieve medische prestaties aan te rekenen en te laten uitkeren door het RIZIV schond hij niet alleen het vertrouwen van zijn patiënten maar ook dat van de sociale zekerheid en de samenleving.
De rechtbank oordeelde dat een bestraffing met probatie-uitstel in dit geval geen gepaste bestraffing is, omdat deze niet in verhouding staat tot de bijzondere ernst van de feiten, de zeer lange periode waarin de feiten plaatsvonden, het groot aantal slachtoffers en de traumatische gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij. De rechtbank hield tevens rekening met het feit dat beklaagde zich bewust had moeten zijn van zijn problematiek en hiervoor nooit eerder een passende behandeling of hulp heeft gezocht.
Verder kende de rechtbank aan zevenentwintig burgerlijke partijen en aan het RIZIV schadevergoedingen toe.
Uit respect voor de privacy verspreidt de rechtbank geen verdere informatie over de feiten die plaatsvonden en vraagt zij om ook de nodige discretie te bewaren bij de berichtgeving in de media.