De jeugdrechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt heeft op 18 maart 2025 tegenover 2 gedaagden uitspraak gedaan in de zaak van de brandstichtingen in december 2018 en augustus 2019 in panden aan de Koolmijnlaan te Beringen.
De rechtbank stelt vast dat de door gedaagden gepleegde feiten in augustus 2019 hebben geleid tot het overlijden van twee brandweerlieden en verwondingen bij vier anderen, waarvan een brandweerman met ernstige brandwonden. Daarvoor hadden de twee gedaagden ook al in een ander pand aan de Koolmijnlaan brandgesticht, evenwel met enkel materiële schade als gevolg.
Aan de nabestaanden van de overleden brandweermannen werd onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht. Gedaagden verwittigden de hulpdiensten of brandweer niet en lieten zo veel kostbare tijd verloren gaan. De brand kon daardoor ongeveer 40 minuten woeden en dit met desastreuze gevolgen.
De feiten van augustus 2019 vallen onder de oude jeugdbeschermingswet van 1965. Het nieuwe jeugdsanctierecht is van toepassing vanaf 1 september 2019. In de oude wet kunnen er maatregelen genomen worden tot de 20ste verjaardag van de betrokkene. Het nieuwe jeugdsanctierecht voorziet dat deze grens verlegd is naar de 23ste verjaardag.
Beide gedaagden waren op het moment van de feiten minderjarig, maar zijn sinds de ontdekking van hun betrokkenheid ouder dan 20 jaar. Gedaagden hebben bijna drie jaar gezwegen over hun rol in de brandstichting. Door deze samenloop van omstandigheden kon de jeugdrechtbank geen maatregelen opleggen, en kan de jeugdrechtbank juridisch niets anders dan de twee gedaagden te berispen. Ook al is dit niet het signaal dat de jeugdrechtbank naar de maatschappij en de nabestaanden wil geven.
Een door de jeugdrechtbank opgelegde sanctie, waaronder een berisping, wordt opgenomen op het strafblad dat zichtbaar is voor de gerechtelijke diensten, maar wordt niet vermeld op het uittreksel zodat dit niet leidt tot de declassering.
De ouders van de gedaagden zijn van oordeel dat ze niet burgerrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens een gebrek aan bewijs van een tekortkoming in de opvoeding en het toezicht van hun kinderen. Artikel 1384 lid 2 van het oude Burgerlijk Wetboek stelt dat ouders aansprakelijk zijn voor de schade die hun minderjarige kinderen veroorzaken. De wet gaat uit van een vermoeden van aansprakelijkheid bestaande uit een fout in de opvoeding of het toezicht gemaakt door de ouders.
Dat vermoeden kan door de ouders weerlegd worden door bewijs te leveren dat er geen tekortkoming is in de opvoeding of het toezicht, of door aan te tonen dat er geen oorzakelijk verband is tussen de feiten en de schade.
De ouders hebben geen bewijzen voorgelegd waaruit blijkt dat ze de kinderen een goede opvoeding hebben gegeven en voldoende toezicht hebben uitgeoefend. Van de ouders wordt niet verwacht dat ze voortdurend toezicht uitoefenen, maar de gepleegde feiten wijzen wel op een ernstig gebrek aan eerbied voor het eigendom van anderen. Van ouders wordt verondersteld dat ze hun kinderen respect voor andermans eigendom, sociale vaardigheden en normbesef meegeven; ze zijn in gebreke gebleven in de opvoeding en het toezicht. De ouders worden dan ook burgerlijk verantwoordelijk gesteld voor de feiten gepleegd door hun kinderen.
De gedaagden, hun ouders en de verzekeraar zijn door de rechtbank hoofdelijk veroordeeld tot de verder bepaalde schadevergoedingen. In totaal wordt meer dan 480.000 euro aan schadevergoedingen tegenover 16 burgerlijke partijen opgelegd en wordt tegenover 1 burgerlijke partij meer dan 100.000 euro provisioneel uitgesproken om ze later in detail te bepalen.