19/02/2026

Om zijn woning in Mechelen aan te passen aan de moderne energetische mogelijkheden sloot een woningeigenaar in april 2023 een overeenkomst met een aannemer voor de levering en plaatsing van zonnepaneleninstallatie, inclusief batterijen en heatpipes. Deze plaatsing verliep moeizaam. Zo leverde de aannemer de heatpipes niet, leverde hij te weinig batterijen en kon de aannemer de batterijen niet in de garage plaatsen zoals voorzien. Dit alles zorgde voor een vertraagde uitvoering van de overeenkomst, wat door een stroeve communicatie over de planning alleen maar uitliep.

Naast de problemen die betrekking hadden op de uitvoering van de werken, meldde deze woningeigenaar in de daaropvolgende maanden bijkomende gebreken, waaronder schade aan de woning door onnodige boringen en verkeerd geplaatste muurbeugels. Ook zou de zonnepaneleninstallatie zelf niet naar behoren functioneren.

Dat de woningeigenaar in juni 2023 reeds 25.019 euro aan facturen aan de aannemer had betaald, deed deze woningeigenaar nog meer aandringen bij de aannemer voor een oplossing. 

In een poging om de problemen te proberen op te lossen, deed de opdrachtgever in december 2023 een beroep op een gelieerd bedrijf van de oorspronkelijke aannemer voor de plaatsing van een verwarmingsketel. Ook hier liep één en ander mis. Volgens de woningeigenaar plaatste deze firma niet de afgesproken ketel en ging deze ketel enkele maanden later defect.

Om de problemen te duiden en op te lijsten schakelde de woningeigenaar een technisch raadsman in. De aannemers waren niet aanwezig tijdens de vaststellingen van deze technische raadsman.

Omdat partijen er onderling niet in slaagden hun geschil op te lossen, dagvaardde de woningeigenaar in september 2024 beide aannemers. Hij vroeg daarbij in eerste instantie aan de rechtbank voor enige andere beslissing in de zaak te nemen om een gerechtsdeskundige aan te stellen. De rechtbank ging in een vonnis van 8 november 2024 in op dit verzoek. De rechtbank oordeelde op dat ogenblik dat de woningaannemer het aannemelijk maakte dat de aannemers de werken mogelijks gebrekkig en laattijdig uitvoerden. Op zijn vraag stelde de rechtbank daarom een onafhankelijk burgerlijk ingenieur-architect aan om als deskundige een onderzoek ter plaatse uit te voeren. De woningeigenaar verklaarde zich op dat ogenblik ook akkoord om de kosten voor de deskundige voor te schieten.

De deskundige stelde van dit onderzoek en zijn advies een verslag op voor de rechtbank. Daarin beschreef hij de vastgestelde problemen, de mogelijke oorzaken, de technische verantwoordelijkheden en hoe de gebreken hersteld kunnen worden, inclusief raming van de herstelkost en -duur. Hij bracht ook advies uit over mindergenot, minderwaarde en gevolgschade. Het definitieve verslag bezorgde de deskundige aan de rechtbank in juni 2025.

Diezelfde maand vroeg de woningeigenaar om partijen termijnen op te leggen en een pleitdatum te geven om hen - na neerlegging van het deskundigenverslag - alle drie de gelegenheid te geven om conclusies in te dienen met hun standpunten. Na de gerechtelijke vakantie 2025 kregen partijen de kans om hun argumenten te bezorgen en kwam de zaak opnieuw voor de rechtbank in januari 2026.

In een vonnis van 19 februari 2026 oordeelde de rechtbank dat zij in het verslag van de deskundige het bewijs vond dat beide aannemers een ernstige contractuele wanprestatie begingen. Op vraag van de woningeigenaar ging de rechtbank bijgevolg over tot ontbinding van de overeenkomsten. Dit wil zeggen dat de woningeigenaar niet meer gebonden is aan de contracten die hij met de aannemers sloot vanaf de datum van het vonnis.

Deze ontbinding heeft ook andere gevolgen. Volgens de deskundige zijn de uitgevoerde werken, gelet op de vastgestelde gebreken, minder waard dan het bedrag dat de opdrachtgever betaalde. Volgens zijn berekening betaalde de woningeigenaar 11.163 euro te veel aan de oorspronkelijke aannemer voor de zonnepanelen en 3.244 euro te veel aan de aannemer die de verwarmingsketel plaatste. De opdrachtgever vroeg de terugbetaling van deze bedragen. De rechtbank zag geen reden om af te wijken van het advies van de deskundige en maakte dit onderdeel van haar besluitvorming. De rechtbank veroordeelde de aannemers tot terugbetaling van deze bedragen.

Bovendien kende de rechtbank nog een schadevergoeding van 24.160 euro, zoals door de deskundige begroot en door de woningeigenaar gevorderd. Deze laatste bewijst aan de hand van het advies van de deskundige niet alleen dat hij te veel betaalde, maar ook dat hij bijkomstige schade leed zoals mindergenot en financiële schade.

Ten slotte werden de aannemers veroordeeld om de dagvaardingskosten (356 euro) en de kosten van het deskundigenonderzoek (3.341 euro) terug te betalen. De opdrachtgever kreeg ook een rechtsplegingsvergoeding (3.140 euro) toegekend als tegemoetkoming voor de kosten van zijn advocaat.

Lees meer over de bouwkamer via deze link: bit.ly/bouwkamer